Fosfor

Fosfor geeft stevigheid aan het skelet. Ook is het mineraal betrokken bij de energievoorziening van het lichaam en maakt het deel uit van het DNA. Verder is fosfor nodig voor de koolhydraat-, vet- en eiwitstofwisseling.

Waar zit het in?

Fosfor komt bijna in alle voedingsmiddelen voor. Voedingsmiddelen als melk, vis, vlees en brood bevatten relatief veel fosfor. Ook wordt fosfor in de vorm van fosfaatzout als bindmiddel toegevoegd aan voedingsmiddelen

Op de pagina ‘waar zit het in?’  is meer informatie te vinden over de bronnen van fosfor en de bijdrage van deze bronnen aan de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid.

Hoeveel heb ik nodig?

De aanbevolen hoeveelheid fosfor is vastgesteld op 600 mg per dag voor zowel volwassen vrouwen als volwassen mannen.

Een overzicht van de fosforbehoefte in de verschillende levensfasen is te vinden bij ‘hoeveel heb ik nodig?’.

Welke factoren beïnvloeden de opname van fosfor?

De absorptie van fosfor wordt verminderd door maagzuurremmende geneesmiddelen die aluminium bevatten en door hoge doseringen calciumcarbonaat (krijt). Calciumcarbonaat zit in calciumsupplementen.

Wat is veilig?

De maximaal veilige dosis fosfor is voor volwassenen 4000 mg per dag. Dit komt overeen met ruim twee kilo vlees of vier kilo spinazie. Bij de veilige dosis gaat het om een gemiddelde waarde, waarbij een ruime marge is genomen. Dit betekent dat éénmalige of kortdurende overschrijding van de maximaal veilige dosis geen direct gevaar oplevert.

Wat zijn de gevolgen van een teveel aan fosfor?

Een overmatige inname aan fosfor veroorzaakt een verhoogde botstofwisseling, wat bij ouderen de kans op botontkalking kan verhogen. Verder kan een te hoge inname aan fosfor de absorptie van ijzer, koper en zink belemmeren.

Wat zijn de gevolgen van een tekort aan fosfor?

Omdat fosfor in bijna alle voedingsmiddelen voldoende aanwezig is, is een tekort aan fosfor bijna niet mogelijk. Een tekort aan fosfor kan onder meer leiden tot anorexia, bloedarmoede, pijn in de botten, verkeerde vorming van de botten tijdens de groei bij kinderen of een toegenomen gevoeligheid voor infecties.

Deel: